Tijd van monniken en ridders

Van een machtige heerser tot de man met de repen chocola

Venster 8: Geschreven door Bernadette Verhoef.

In de middeleeuwen bestond de maatschappij uit drie standen. De vorsten en edelen hielden zich bezig met orde en rust in het gebied en ze verdedigde zichzelf en de rest van de bevolking tegen vijanden van buiten. Ook het regelen van de rechtspraak behoorde tot hun taak. Om dit alles te kunnen betalen –en ook zelf een inkomen te hebben- hieven ze belastingen.

In de middeleeuwen bestond de maatschappij uit drie standen. De vorsten en edelen hielden zich bezig met orde en rust in het gebied en ze verdedigde zichzelf en de rest van de bevolking tegen vijanden van buiten. Ook het regelen van de rechtspraak behoorde tot hun taak. Om dit alles te kunnen betalen –en ook zelf een inkomen te hebben-  hieven ze belastingen.

De tweede stand bestond uit de geestelijkheid. Deze was verantwoordelijk voor de zielenheil van de mensen een zag erop toe dat men zich hield aan de regels van de kerk.

De meeste mensen behoorden tot de laagste stand: de dorpelingen op het platteland en de stedelingen. Zij hielden zich bezig met veeteelt en landbouw, met ambachtelijk werk of handel. Daarmee hielden ze hun eigen gezin in leven en betaalden ze de belastingen van vorsten, edelen en kerk.

Leenman, leenheer

De machtigste edelen in onze streek waren de graven van Holland. In 889 was de van oorsprong Friese Gerulf de eerste die bezittingen kreeg door vererving en gebiedsuitbreiding. De graven ontwikkelden zich tot zelfstandige machthebbers. Hun gebied breidde zich in de 13e eeuw uit tot bijna geheel Holland. Om ook buiten het eigen gewest een rol te kunnen spelen en daardoor aanzien te verwerven, was economische groei nodig. Daarom werden gronden ontgonnen en steden ontwikkeld. Hierdoor kwamen handel en nijverheid tot grote bloei.

Tussen 900-1580 kwamen dorpen tot ontwikkeling. Het rechtsgebied van een dorp werd een ambacht genoemd. Dit was de kleinste eenheid met publiekrechtelijk gezag: rechtspraak en bestuur. Deze  vinden hun oorsprong in het leenrecht.

Leenmannen als de graven van Holland die leenden van de Duitse keizer, waren op hun beurt weer leenheer voor hun gebied. De leenheer (oorspronkelijk de graaf en later de Staten van Holland) konden overheidsmacht verkopen, verpanden of in erfelijk leen geven.

Zo gaven zij de ambachten Koudekerk, Benthuizen en Hazerswoude aan trouwe bondgenoten in ruil voor militaire en politieke steun en geld. Deze kwamen daarmee niet in bezit van de grond. Met een ambacht of heerlijkheid werd het gebied aangeduid waarop de rechten van de heer betrekking hadden. Rechten zoals het recht tot uitvaardiging van wetten, om bestuursleden aan te stellen, om de rechtspraak te regelen, tot het opstellen van akten, het heffen van allerlei belastingen en boetes, tol en vis- en marktgelden. Na de Franse inval werden in 1798 de heerlijke rechten grotendeels afgeschaft. In 1814 werden de heerlijke rechten in beperkte mate weer teruggegeven. Het recht plaatselijke bestuurders aan te stellen verviel met de Grondwet van 1848. In 1929 verdween ook het laatste recht, het vis- en jachtrecht.

Alle drie de dorpen waren allereerst een ambacht. De heer had daarin niet het halsrecht, het recht om een doodvonnis uit te vaardigen. Later werden het hoge heerlijkheden waarin de heren wel over leven en dood konden beschikken. De huidige gemeenten kunnen beschouwd worden als de opvolgers van de vroegere heerlijkheden.

Voor het eerst in beeld (Zie afbeelding 8.1.)

Ambachtsheer Aduard had in de 13e eeuw al het jachtrecht in de bossen ten zuiden van de oude Rijn in wat nu Hazerswoude is en wat tijdenlang ook bekend stond als Aduaardswoude.

De eerste heren van Koudekerk zijn de Van Teylingen’s geweest. Floris van Teylingen had in 1250 de ‘Goederen van den Tol’ in bezit.

In 1281 kreeg Dirk van Teylingen van graaf Floris V een gebied rond Waddinxveen in bruikleen. In de leenakte wordt het gebied aangegeven met een aantal ambachten waaronder Benthusen en Haeswaerdwoude.

In 1316 werd Benthuizen in leen gehouden door de zoon van de Hollandse graaf Willem II, Hughe Dui. Later kwam het leen in handen van Jan van Henegouwen. In 1326 was Diederik van Poelgeest ambachtsheer van Koudekerk, een leenman van Willem III. Gravin Jacoba van Beieren gaf in 1428, na de totstandkoming van de ‘Zoen van Delft’, waarbij zij erkend werd als landsvrouwe, Hazerswoude aan Lodewijck van Montfoort. Zij deed dit als dank voor de hulp die Lodewijck aan haar en haar vader had gegeven.

Ao. 1587 werd tusschen den Heer van Hazerswoude en de Ingezeetenen bepaald dat het Schouts Ampt aan den Heer ter begeeving, en ten zijnen profyten zal koomen, dat voor het Recht van Zegele aan den Heer zal worden betaald van alle Eigendommen, Schuld of Rentebrieven, geene uitgezondert, van 400 Gulden en daar beneden kost ieder Zegel 6 Stuivers, van 400 tot 800 gulden 12 stuivers en daarboven 24 Stuivers. Aldus Van Ollefen.

 

De kikkerbuurt (Zie afbeelding 8.2. en 8.3.)

Hierop volgde sluiting der vergadering, waarna het woord gevoerd werd door en ambachtsheer van Hazerswoude W.C. Baron Röell. Spr. heeft altijd met de grootste belmgstelling gevolgd wat er in de gemeente omgaat, ondanks het feit, dat bij de laatste Grondwetsherziening met één pennestreek de band tusschen Ambachtsheer en Ambachtsheerlijkheid vernietigd werd. Spr. heeft steeds buitengewoon gewaardeerd dat  de Burgemeester hem op den hoogte hield, wat er te Hazerswoude gebeurde. … Helaas moest echter zijn medeleven beperkt blijven tot diverse beschermheerschappen. Spr. Hoopte, dat de Burgemeester aanvaarden wil, dat het geen frase is wanneer hij zegt, dat dit afscheid hem weemoedig stemt. Spr. Wenschte den scheidende tenslotte Gods Zegen toe en eindigde met de woorden: ‘’ t beste is nog niet goed genoeg voor U!’

Leidsch Dagblad, 1 mei 1934. Bij het afscheid van burgemeester J. van der Meulen.

 

Door vererving bleven de ambachten kortere of langere tijd in handen van dezelfde adellijke families. Zo heersten de heren van Poelgeest bijna vier eeuwen over Koudekerk. Hun wapen was jarenlang verbonden aan de gemeente. Zij droegen steeds de voornaam Gerrit. In 1692 stierf de 14e Gerrit. Om zijn schulden te betalen werd het ambacht verkocht aan Alida van Schellingerwoude. In datzelfde jaar kocht de stad Rotterdam Benthuizen van de weduwe Van Wijngaarden om een vrije doorgang tussen de Rotte en de Hoogeveensevaart naar de Oude Rijn te kunnen waarborgen. In 1730 kocht Anne van Baerle Hazerswoude van François graaf van Oultremont voor fl. 111.000. Ter vergelijking: in 1724 verkochten de Staten van Holland en West-Friesland Benthorn voor fl. 1850 aan Ada van der Duyn in Ukkel, bij Brussel.

In de tweede helft van de 19e eeuw waren er nog steeds ambachtsheren en –vrouwen. Deze hadden feitelijk geen gezag in de gemeente maar hun invloed was nog aanzienlijk. In 1889 was Gerrit C.O. Beelaerts van Emmichoven tevens eigenaar van vele landerijen. Hij schonk fl. 300 voor de aankoop van een kabinetorgel voor de Hervormde kerk. In 1914 stond hij in het belang van de volkshuisvesting grond af in erfpacht (65 gulden per hectare per jaar) voor de bouw van twintig arbeiderswoningen, in de volksmond de ‘kikkerbuurt’ genoemd.

Bijzondere heerlijkheden (Zie afbeelding 8.4.)

Zowel Hoogeveen als Benthorn zijn zelfstandige heerlijkheden geweest. Ze doorliepen dezelfde geschiedenis als Benthuizen en Hazerswoude-Dorp: ontginning, vervening, ontvolking en herstel door drooglegging.

Van 1811 tot 1817 vormden ze één gemeente met Hazerswoude. Weer zelfstandig bleken beide ambachten toch te klein om alleen verder te gaan. In Hoogeveen woonden zo’n honderd mensen in tien boerderijen. Benthorn telde tussen de tien en twintig inwoners, verdeeld over twee boerderijen. Kerkelijk gezien behoorden zij tot de Hervormde gemeente te Benthuizen, maar de kinderen gingen in Hazerswoude naar school. Na jaren heen en weer gepraat, sloot Hoogeveen zich in 1855 aan bij Benthuizen omdat de kom van Hazerswoude te ver en de weg erheen te slecht werd bevonden. Benthorn was in 1846 al bij Benthuizen gevoegd. In 1853 had Hoogeveen de Hoogeveenseweg met tol overgenomen van ambachtsheer Jantzon van Capelle. Deze kwamen in 1855 automatisch in handen van Benthuizen. In 1917 werd de tol nog voor honderd gulden per jaar verpacht aan Pleun Qualm. In 1923 stopte de tolheffing.