Goed doen

Het begin in Nederland en in de VN

Op 3 oktober 1949 investeerde Nederland voor het eerst anderhalf miljoen gulden in een wereldwijd programma van de Verenigde Naties: het Programma voor Internationale Technische Hulp. De impuls hiervoor komt vanuit Amerika: de Amerikaanse president Harry Truman roept op tot investeren. Later in de jaren '50 zou een belangrijke reden hiervoor zijn het afwenden van de communistische invloed in het Zuiden maar in eerste instantie om de positie van post-koloniaal Nederland globaal te versterken en om Nederlandse expertise (bijvoorbeeld in landbouw en water) in te zetten.

In de eerste vijftien jaar richtte Nederland zich ten aanzien van de inrichting van de hulp voornamelijk op de multilaterale structuren vanuit de overtuiging dat Nederland te klein was voor het inrichten van een eigen bilateraal hulpprogramma. 

Het meewerken aan VN projecten zorgde vanaf het begin voor inter- en intraministeriële competentiegeschillen. In 1949 werd dit tijdelijk opgelost door de vorming van een interdepartementale Werkcommissie inzake Technische Hulp aan Laagontwikkelde Landen (Withall). 

In hetzelfde jaar besloot het kabinet een bedrag van f.1,5 mln. voor technische bijstand bij het VN programma EPTA, dit wordt gezien als het begin van de officiële Nederlandse ontwikkelingssamenwerking (al werden er grotere bedragen geld naar de koloniën gestuurd). De doelstellingen van de nieuwe overheidsactiviteit werd samengevat in de nota betreffende de Nederlandse bijdrage aan het programma der Verenigde Naties voor technische hulp aan economische laag-ontwikkelde landen. In deze Nota werden drie motivaties gegeven waarom Nederland zou moeten meewerken aan het VN-programma: grotere bekendheid in het buitenland, mogelijke exportmogelijkheden en plaatsing van intellectuelen en technici waarvoor in Nederland geen plaats is. 

Nota: 

Bronnen: