ca. 1000

Hasselo tot en met Lemselo

Van buurschap tot marke

Tijd van monniken en ridders

De behoefte aan meer voedsel door toename van de bevolking betekende voortdurende uitbreiding van bouwlanden. Ook de pacht- en tiendverplichtingen noodzaakten de boer zijn productiviteit op te voeren. Grootschalige boskap voor akkeruitbreiding was het gevolg. Vanwege de akkeruitbreiding verschoven woonplekken van de hogere zandgronden naar de voet ervan. Daarom worden de oudste bewoningssporen vaak onder de esdekken ontdekt. Dit heeft tot gevolg gehad dat een losse verzameling hoeven dikwijls terechtkwam op de overgang van akkers naar de groengronden en vaak dichtbij de beken. Deze bewoningsvorm wordt in de literatuur als "buurschap" aangeduid. De niet in cultuur gebrachte gronden zoals bossen, heidevelden, venen en moerassen waren voor gemeenschappelijk gebruik.

Nederzettingen

Op de Eerste Topografische Militaire kaart uit circa 1850 is duidelijk de situering van de boerderijen ten opzichte van het landschap en vooral ten opzichte van de essen te zien. Voor het Weerselose gebied wordt Lemselo als een hoefijzervormig esdorp getypeerd. Rossum is een mooi voorbeeld van een kransesdorp, terwijl Volthe, Gammelke en Deurningen esnederzettingen zijn met rudimentaire omkransing. Hier ontbreekt de centrale grote es en zijn de erven geplaatst rond verschillende kleinere essen, die soms door beken worden gescheiden.

Gezamenlijk beheer van de woeste gronden

De woeste gronden waren voor de landbouw onmisbaar. Ze leverden hout, plaggen en turf. Door de toename van de bevolking haalden de mensen echter meer weg dan de natuur kon produceren. Daarom maakten de bewoners afspraken over het gebruik van de woeste gronden. De ontginning werd aan banden gelegd en er werd vastgesteld hoeveel hout, plaggen, turf elke boer uit het veld mocht gebruiken. Ruzie met verder weggelegen woongroepen die uit hetzelfde veld hun plaggen en dergelijke haalden was voor de buurschappen weer reden om afspraken te maken over wie tot welk punt gebruik kon maken van de woeste gronden. Op deze wijze zullen ooit de markegrenzen tot stand zijn gekomen. Daarmee was het territorium van een marke bepaald. Vaak zijn deze grenzen aanleiding geweest tot hevige twisten. Het bijzondere kenmerk van een marke was het gezamenlijk beheer van de woeste gronden door de markebewoners. Een markebestuur met aan het hoofd de marke- of holtrichter zorgde voor de naleving van de afgesproken regels.

Acht marken

De gemeente Weerselo bestond uit de marken Volthe, Rosssum, Lemselo, Dulder, Gammelke, Deurningen, Hasselo en Klein Driene. Van de markebestuursvergaderingen zijn notulen gemaakt in de zogenaamde markeboeken. De eeuwenoude boeken van Lemselo, Dulder, Deurningen en Hasselo zijn bewaard gebleven. Het zogenaamde schattingsregister van het jaar 1475 geeft de oudste en zo volledig mogelijke opgave van de dan in de genoemde marken aanwezige boerderijen. In de acht Weerselose marken zijn 199 erven met name genoemd.