ca. 1600

Werken op het land

Landbouw in de Hof

Tijd van regenten en vorsten

Zorgen

Boer Bruen van Hederike maakte zich zorgen. Eeuwenlang hadden zijn voorouders op de Borkeld geboerd. Door hard te werken, viel er genoeg voedsel voor het hele gezin te verbouwen. Datzelfde gold voor de boeren aan de randen van de Herikerberg, bij de stuwwal in Delden, op de Bentelerheide en langs de Regge. Maar hoe boer Bruen en zijn buren ook hun best deden, de oogst werd ieder jaar kleiner. Het leek er op dat de akkers steeds minder vruchtbaar werden.

Platbranden

Om hongerlijden te voorkomen, besloten de boeren te verhuizen. Ze trokken naar de bossen bij Stokkum, Markelo, Elsen, Herike, Delden en Bentelo. Door delen van het bos plat te branden, kregen de boeren nieuwe akkers. Bij hun akkers bouwden ze boerderijen. Ondanks de nieuwe akkers, bleef het leven van de boeren zwaar. Ze hadden niet genoeg mest om hun akkers vruchtbaarder te maken. Hierdoor konden ze niet altijd genoeg voedsel verbouwen.

Meer mensen

De bevolking op het platteland groeide en er was steeds meer voedsel nodig. Door ouderwetse landbouwmethoden en de slechte grond, lukte het de boeren nog steeds niet om genoeg eten voor iedereen te verbouwen. In de 19de eeuw gebruikten de boeren nog hetzelfde gereedschap als boer Bruen: een ploeg, mest en een paard of os om de ploeg te trekken. Iedere dag was de boer op het land te vinden om te ploegen, te zaaien, onkruid te wieden of te oogsten.

Nieuwe tijden

In de 19de eeuw kwam er steeds meer vraag naar vlees en zuivelproducten. Veel boeren besloten in die tijd om meer vee te gaan houden en minder aan akkerbouw te doen. Ondertussen kwamen er zuivelfabrieken, werd de kunstmest uitgevonden en kregen de boeren les in hoe ze een zo groot mogelijke oogst konden krijgen. Aan het begin van de 20ste eeuw kwamen de eerste landbouwmachines op de boerderij. Deze machines zorgden er voor dat de boeren meer konden produceren. Hierdoor braken er goede tijden aan op het platteland.