700 - 800

Het christendom

Tijd van monniken en ridders

Bij het Witte Kerkje van Heiloo ligt een oude waterput met middeleeuwse fundamenten, de Willibrordusput. De put is genoemd naar de Angelsaksische prediker Willibrord die rond het jaar 720 door Kennemerland trok om de nog heidense bevolking het christendom te brengen. Volgens de legende hadden Willibrord en zijn metgezellen, aangekomen in de bossen bij Heiloo, grote dorst. Willibrord groef een kuil die na een gebed vanzelf volstroomde met water. Volgens een andere versie liet hij de bron eenvoudig opwellen door met zijn staf op de grond te slaan. Bij de bron bouwde Willibrord een houten kapel, het eerste kerkje van Heiloo. Het bronwater bleek geneeskrachtige eigenschappen te hebben. Al snel stroomden zieken en koortslijders toe om bij de bron genezing te vinden.

De naam van Adalbert, 'de apostel van Kennemerland' is eveneens verbonden met een nog bestaande bron - de Adelbertusput op de Adelbertusakker, tussen Egmond en Limmen. Adalbert zou in het voetspoor van Willibrord naar de Lage Landen zijn getrokken. Hij leefde vermoedelijk als kluizenaar in de omgeving van Egmond, waar hij stierf rond 740. Boven zijn graf werd een kapel gebouwd die een drukbezocht pelgrimsoord werd. De bron ontsprong toen graaf Dirk I van Holland in 922 Adalberts gebeente liet opgraven om het te laten overbrengen naar het door hem pas gestichte, nabijgelegen nonnenklooster.

Willibrord (± 658-739) en Adalbert behoorden net als de wat jongere Bonifatius tot de monniken die in de zevende en achtste eeuw vanuit Engeland en Ierland de Noordzee overstaken om op het vasteland het geloof te prediken. Willibrord werd in 695 in Rome door de paus gewijd tot aartsbisschop van de Friezen. Het Friese machtsgebied strekte zich in die tijd uit over grote delen van Noord- en Midden-Nederland. Over dit gebied heerste de machtige koning Radboud, die zich zijn leven lang tegen de bekering van zijn volk bleef verzetten. Willibrords missiewerk in de Hollandse kuststreek werd pas een succes na de verovering van het westelijk deel van het Friese rijk door de christelijke Franken en Radbouds dood in 719. Hij liet, toen hij zich in 728 terugtrok in het Luxemburgse klooster Echternach, in Holland vijf kerken achter waarvan er drie in Noord-Holland lagen: naast Heiloo ook de kerkjes van Velsen en Petten. Het kerkgoed van Velsen werd hem vrijwel zeker geschonken door de nieuwe Frankische machthebbers. Het kerkje van Petten zou Willibrord net als dat van Heiloo zelf hebben gesticht.

Dat in de legendes rond Willibrord en andere predikers waterbronnen een belangrijke rol speelden, is niet verwonderlijk. De Angelsaksische predikers hadden van de paus de instructie meegekregen het geloof vooral te prediken in het hart van het heidendom, dat wil zeggen in de nabijheid van de heidense heilige plaatsen. In de veelgodenwereld van de Friezen speelde de natuur een grote rol. Zij vereerden stenen, bronnen en bomen en hadden cultusplaatsen in heilige bossen. Heiloo ('heilig woud') is vrijwel zeker al in de voor-christelijke tijd zo'n plaats geweest. Ook elders in de duinstreek, zoals niet ver van Petten bij Hargen, lagen Germaanse heiligdommen. Aan de duinrand welde op veel plaatsen zoet kwelwater omhoog. Het laten ontspringen van een bron moet voor de christelijke missionarissen net als het kruissymbool een belangrijke troef zijn geweest in de concurrentie met de magische krachten van de heidense goden.

De faam van Willibrords put in Heiloo werd in de vijftiende eeuw overvleugeld door die van een nabijgelegen bron, de Runxputte. De bron zou zijn opgeweld op de plaats van de wonderbaarlijke vondst van een houten Mariabeeldje. De kapel die ter plaatse werd gesticht werd een veelbezocht bedevaartsoord. Op de plaats van kapel die tijdens de Hervorming werd verwoest, ligt het tegenwoordige rooms-katholieke heiligdom van Onze Lieve Vrouwe ter Nood.

Het nonnenklooster bij Egmond waar Adalberts gebeente werd vereerd, werd na een brand eind tiende eeuw onder graaf Dirk II herbouwd als abdij van Benedictijner monniken. De abdij was in de twaalfde en dertiende eeuw het 'huisklooster' van het Hollandse gravenhuis en groeide in die periode uit tot het belangrijkste spirituele en culturele centrum van het graafschap Holland. Adalberts resten kwamen in een schrijn op het hoofdaltaar in de abdijkerk te staan. Daar kregen ook de resten van Sint Jeroen van Noordwijk een plaats, een andere heilige die in Kennemerland werd vereerd. De abdij werd in 1572 door de geuzen verwoest. De relieken van Adalbert en Jeroen waren toen al in veiligheid gebracht. De abdij van Egmond werd net als het heiligdom in Heiloo pas in de twintigste eeuw herbouwd.