1100 - 1400

Dijken en dammen

Door Kennemerland lopen tientallen middeleeuwse dijken en dijkjes, sommige oost-west tussen de strandwallen, andere noord-zuid langs oude kreken en waterlopen. Ze herinneren aan de inspanning die het kostte om zelfs in de hoger gelegen delen van Noord-Holland het water buiten de deur te houden.

Voor de bewoners van Kennemerland kwam het gevaar van verschillende kanten. In het gebied achter de duinen was door de grootscheepse ontginning van het veen steeds meer land op of zelfs onder zeeniveau komen te liggen. In het hart van Noord-Holland groeiden beekjes en veenriviertjes door oeverafslag uit tot grote binnenmeren die gestaag land wegvraten. De golven van het Schermeer - nu droogmakerij de Schermer - spoelden bij storm regelmatig over de kades aan de oostkant van Alkmaar. In de lage strandvlakte ten westen en zuidwesten ontstonden de Berger- en Egmondermeren en een reeks kleinere meertjes. Haarlem kreeg in het zuiden te maken met het opdringende water uit het Haarlemmermeer.

Maar het gevaar kwam ook direct van de zee. In de twaalfde en dertiende eeuw sloeg de Noordzee bij een reeks zware stormvloeden ten noorden van Camperduin grote bressen in de duinenrij. Bij Petten maakte het zeegat van de Zijpe contact met het oude veenstroompje de Rekere dat langs Alkmaar naar zee stroomde. Tijdens de Sint-Nicolaasvloed van 1196 kolkte het zeewater naar binnen en kwam de hele streek ten westen van Alkmaar blank te staan. De monding van de Rekere werd door de getijdenbeweging uitgeslepen tot een diepe trechter. Het riviertje stond via het Berger- en het Egmondermeer in Midden-Kennemerland in verbinding met de Die. Dit water was een voortzetting van het IJ, dat rond het jaar 1100 nog als een brede zoetwaterkreek in de oude bedding van het verzande Oer-IJ stroomde. Maar ook vanuit het oosten rukte het zoute water op. Tijdens grote stomrvloeden in de twaalfde eeuw sloeg de Noordzee de laatste grote veenrug weg tussen West-Friesland en het Friese vasteland. Het oude Flevomeer of Almere groeide uit tot een grote binnenzee, de Zuiderzee. Bij storm kwam het Zuiderzeewater hoog in IJ opzetten. Via uitlopers van het IJ in het Wijkermeer en de monding van het riviertje de Crommenije, kon het langs Beverwijk en Heemskerk doordringen tot onder Heiloo en Castricum. Zilt water spoelde nu aan twee kanten door Kennemerland. Bij Haarlem vormde het Spaarne op zijn beurt een verbinding tussen het IJ en het Haarlemmermeer, dat in de loop der tijd uitgroeide tot een steeds vervaarlijker watervlakte.

De monniken van de abdij van Egmond waren vermoedelijk de eersten die begonnen met de bouw van dijken. Dwars door het stroomdal van de Die legden zij rond 1105 de Zanddijk bij Noord-Bakkum aan om hun landerijen ten zuiden van de abdij te beschermen tegen het IJ-water. Tussen Alkmaar en Bergen kwam een dijk langs de westoever van de Rekere om het Noordzeewater te keren. De Sint Aagtendijk beschermde vanaf het midden van de dertiende eeuw het gebied tussen Beverwijk en Uitgeest tegen het water van het Wijkermeer en de Crommenije. Langs de oostoever werd de Assendelverzeedijk gelegd, terwijl de Velser- en Spaarndammerdijk het IJ aan de zuidkant in bedwang moesten houden.

Het buitenwater werd in de eeuw erna verder buitengesloten door Spaarne, Crommenije en Rekere geheel of gedeeltelijk af te dammen. In de dammen kwamen spuisluizen om overtollig water uit het achterliggende gebied te lozen. De sluizen bij Spaarndam vormden niet alleen de belangrijkste afwatering van Zuid-Kennemerland, maar ook van het hele Rijnland tot aan Leiden. In de dam werd in het belang van handel en scheepvaart na 1253 een schutsluis gebouwd, cruciaal voor Haarlem als markt- en handelsstad en voor de handelsschepen die vanaf de Zuiderzee binnendoor naar Vlaanderen voeren. De graven van Holland maakten van de gelegenheid gebruik om bij de dam een zeer winstgevende tol te vestigen. De Kolksluis bij Spaarndam was in 1280 de allereerste sluis in Holland die twee paar deuren kreeg met een sluiskolk ertussen, zodat schepen onafhankelijk van het tij tussen Spaarne en IJ heen en weer konden varen. Er was regelmatig geruzie tussen Haarlem en het Hoogheemraadschap van Rijnland over het openen of gesloten houden van de sluis. Maar wanneer het erop aankwam, ging veiligheid steevast boven het belang van handel, scheepvaart en visserij.