1880 - 1930

De kust trekt

Tijd van wereldoorlogen

In 1881 opende, drie jaar vóór het Scheveningse Kurhaus, de Kurzaal in Zandvoort. Het luxe hotel had met zijn paviljoens en vier ranke torens veel weg van een sprookjeskasteel. Nog datzelfde jaar kwam de met glas overdekte Passage met 26 elegante winkels gereed. De Passage verbond de Kurzaal en de andere badhotels aan de boulevard met het splinternieuwe spoorwegstation Zandvoort Bad. Daar stopte, naast de gewone treinen, vanaf 1884 één keer per week een rechtstreekse expresse-stoomtrein uit het Zwitserse Bazel, die de beau monde van Europa naar het oude vissersdorp bracht. Na de opening van het Groot Badhuis in 1828 en de aanleg van de eerste verharde weg door de duinen, was Zandvoort in krap een halve eeuw uitgegroeid tot een kuur- en vakantieoord van allure.

De opkomst van de kust als reis- en vakantiebestemming was te danken aan nieuwe inzichten over gezondheid die na 1800 veld wonnen, samen met de snel verbeterende vervoersmogelijkheden. Moderne artsen gingen de zuivere zeelucht en het baden in zeewater propageren als heilzaam voor lichaam en geest en als therapie bij allerlei aandoeningen. Vooruitziende ondernemers bouwden aan de kust de eerste badhotels. Sommige boden voorzieningen om in het hotel zelf kuipbaden met zeewater te nemen. In andere werden de gasten vanaf het strand per gesloten koetsje de zee in gereden, waar zij zich beschermd voor nieuwsgierige blikken in de golven konden laten glijden. De zeewatertherapie trok illustere gasten, onder wie ook keizerin Elisabeth van Oostenrijk. De beeldschone maar ongelukkige 'Sisi' logeerde in 1884 en 1885 in het Zandvoortse hotel Kaufmann, het latere Hotel d'Orange, waar zij zich door de modearts Metzger liet behandelen voor haar anorexia en gewrichtspijnen.

Na de eeuwwisseling brachten nieuwe spoor- en tramverbindingen, zoals stoomtram 'Bello' tussen Alkmaar en Bergen aan Zee en de elektrische tram van Amsterdam naar Zandvoort, steeds meer gewone vakantiegangers en dagjesmensen naar de kust. In de schaduw van Zandvoort groeiden Wijk aan Zee, Egmond en Castricum uit tot rustige familiebadplaatsjes. Bergen aan Zee nam een aparte plaats in. Het werd na 1906 uit het niets opgebouwd op initiatief van het Bergense burgemeestersechtpaar Van Rheenen. Grote architecten als Berlage en Springer mochten plannen ontwerpen, maar het echtpaar voerde ze maar ten dele uit. De sierlijke villa's en pensions raakten vooral in trek bij de gegoede burgerij. Het badtoerisme werd vanaf de jaren '20 en '30 meer en meer strandtoerisme. Her en der kwamen kampeerterreinen en terreinen met eenvoudige vakantiehuisjes, waar ook minder kapitaalkrachtige families uit de stad de zomervakantie doorbrachten. De verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog maakten een triest en radicaal einde aan de glorie van het oude Zandvoort en aan het vooroorlogse strandleven in de kustdorpen. Pas in de jaren '50 begon een nieuwe bloei.

De kust trok behalve badgasten vanaf rond 1860 nog een andere categorie liefhebbers: kunstenaars. De bijzondere lichtval aan de Noord-Hollandse stranden met hun pittoreske oude vissersplaatsen werd het eerst ontdekt door de schilders van de Haagse School. Pioniers als Jozef Israels en Johan Hendrik Weissenbruch kregen gezelschap van kunstenaars als Hendrik Willem Mesdag, Anton Mauve, Jacob Maris, Bernard Blommers en Johannes Koekkoek. Het mondaine strandleven bleef in hun werk vrijwel buiten beeld. Romantische taferelen van het eenvoudige, ongekunstelde vissersbestaan waren hun favoriete thema.

Een heel ander type kunstenaars streek tussen 1900 en 1925 neer in Bergen. Het duindorp werd rond de eeuwwisseling dé ontmoetingsplek voor een nieuwe lichting schrijvers, schilders, beeldhouwers en grafici. Onder hen waren auteurs en dichters als Herman Gorter, Adriaan Roland Holst, J.C. Bloem en Jan Greshoff en schilders als Leo Gestel, Else Berg, Charley Toorop en de broers Piet en Matthieu Wiegman. Deze schilders van de Bergense school of 'Hollandse expressionisten' haalden hun inspiratie niet of nauwelijks aan het strand. Zij schilderden voor het merendeel stillevens en portretten. Vooral het licht en het gezelschap in de kunstenaarskolonie trok hen naar Bergen-Binnen.