Een groen woud
Al in 1662 beschrijft de schrijver Melchior Fokkens hoe bijzonder de bomen in de stad zijn. Ze geven geur, schaduw en bescherming. Vandaag zijn er in Amsterdam ongeveer evenveel bomen als mensen, met de iep als koploper. Elk voorjaar dwarrelen hun zaden als lentesneeuw door de straten. In dat groen vinden mensen verkoeling en ontspanning, maar ook dieren voelen zich thuis in de stad. Voor rotsduiven, ooit meegenomen door zeelieden uit het Middellandse Zeegebied, zijn de gebouwen net rotsen, maar dan met minder natuurlijke vijanden en een overvloed aan voedsel.
Aan tafel
Planten en dieren zijn ook voedsel voor mensen. Vis is relatief dichtbij te vinden. Haring uit de Noordzee wordt dankzij een slimme bewaartechniek een belangrijk handelsproduct. Op de vismarkt liggen ook soorten als baars, brasem en paling. Later komt het voedsel steeds vaker van verder weg: graan uit het Oostzeegebied en specerijen, koffie, thee en suiker uit koloniale gebieden. Ook dieren reizen mee. Zo belanden rotsduiven, halsbandparkieten en Amerikaanse rivierkreeften in Amsterdam – en Amsterdamse koeien, varkens en kippen juist overzee.
Dieren in dienst
In de stad werken dieren vaak voor mensen. Katten houden huizen vrij van muizen. Honden bewaken of trekken karren. Paarden vervoeren mensen en zware ladingen, zoals de tonnen bier van Amsterdamse brouwers. Soms worden dieren ook gebruikt voor vermaak, zoals bij het wrede palingtrekken dat in de negentiende eeuw in de Jordaan tot rellen leidt.
Mens en natuur vandaag
Ook in de moderne stad hebben mensen invloed op het leven van dieren. Plastic afval zorgt voor problemen, maar levert ook nieuw gedrag op. Meerkoeten bouwen nesten van weggegooide verpakkingen en zelfs van mondkapjes uit de coronatijd. Zonder de rijkdom aan dieren, planten en bomen is Amsterdam onleefbaar. Maar of de Amsterdammers zich daar altijd bewust van zijn?