De eerste gastarbeiders
Op 25 oktober 1963 landt op Schiphol een vliegtuig met 65 Turkse mannen. Ze zijn hierheen gehaald door de Ford-fabriek in het Westelijk Havengebied. Kort daarna sluit Nederland overeenkomsten met Turkije en Marokko om meer arbeiders naar Nederland te halen. De economie groeit snel, en er is veel vraag naar goedkope werknemers.
De meeste mannen komen alleen, in de hoop geld te sparen voor hun familie thuis. Sommigen vinden onderdak bij Amsterdammers, anderen wonen in woonoorden of pensions met kleine kamers en weinig privacy. Het leven is zwaar: ze moeten hard werken, hun familie missen en de taal leren.
Een thuis in Amsterdam
Veel Turkse en Marokkaanse arbeidsmigranten besluiten om in Amsterdam te blijven. De stad biedt hen meer mogelijkheden dan de onzekere toekomst in hun geboorteland. Ze halen hun vrouw en kinderen naar Nederland. Dat is niet makkelijk: veel gezinnen hebben last van heimwee. Toch went het leven hier. Er komen Turkse en Marokkaanse winkels, koffiehuizen en verenigingen.
In 1972 maken Marokkaanse mannen plannen voor een eigen moskee. Twee jaar later opent de Al-Kabir-moskee in de Van Ostadestraat. Niet lang daarna volgt de Fatih-moskee van de Turkse gemeenschap. Ook komen er islamitische scholen. Daar krijgen kinderen les in hun eigen taal en geloof.
Nieuwe Amsterdammers
De jaren zeventig brengen moeilijkheden. Door de oliecrisis sluiten veel fabrieken. Veel arbeidsmigranten raken hun baan kwijt. Toch blijven de meeste gezinnen in Amsterdam. Hun kinderen zijn hier opgegroeid en voelen zich hier thuis.
Vandaag zijn de Turkse en Marokkaanse gemeenschappen niet meer weg te denken uit de stad. Kinderen en kleinkinderen van de eerste migranten vertellen hun verhaal in tentoonstellingen, foto’s en toneelstukken. Ook in boeken, zoals Wees onzichtbaar van Murat Isik en Oroppa van Safae el Khannoussi, laten schrijvers zien hoe het is om op te groeien tussen twee werelden.