De ziel van de Jordaan
De Jordaan is niet de enige wijk waar het leven zich op straat afspeelt, maar wél de bekendste. Het is een buurt vol smalle straatjes en kleine huizen. Mensen kennen elkaar allemaal. Ze leven dicht op elkaar, en vooral mét elkaar. Er wordt gezongen, gelachen en soms ruzie gemaakt. Schrijvers als Israël Querido en toneelschrijvers als Herman Bouber maken de Jordaan beroemd met verhalen en toneelstukken als De Jantjes en Bleeke Bet. Daarin zingen, lachen en overleven gewone Amsterdammers met humor en trots, ook al hebben ze weinig geld.
In werkelijkheid raakt de wijk in verval. Veel huizen zijn oud en vochtig. De gemeente wil ze afbreken, maar door de crisis en de oorlog is er geen geld voor nieuwbouw. In de jaren vijftig wordt de sloop tegengehouden. De wijk ontwikkelt een eigen cultuur die als ‘typisch Amsterdams’ wordt beleefd. Zo’n buurt sloop je niet, die bezing je.
Van volkswijk tot icoon
In 1955 organiseert hotel Krasnapolsky de zangwedstrijd De stemmen van de Jordaan. De zingende kelner Johnny Jordaan wint met De parel van de Jordaan, een lied over de Westertoren. Daarna breekt hij door met Geef mij maar Amsterdam. Al snel volgen andere volkszangers: Tante Leen, Willy Alberti, Zwarte Riek en Johnny Meijer. Hun liedjes gaan over de goeie ouwe tijd, saamhorigheid, vriendschap en het eenvoudige leven.
Vanaf de jaren zeventig verlaten veel Jordanezen hun wijk voor nieuwbouwwijken in Almere en Lelystad. Daar is meer ruimte en groen. Krakers, kunstenaars en schrijvers nemen hun plekken in de Jordaan in, en later ook mensen met veel geld. De buurt verandert, maar de oude Jordaan leeft voort in liedjes en verhalen. Ze herinneren aan een tijd waarin iedereen elkaar kent en waar buren altijd voor elkaar klaarstaan.