Chinatown
De Zeedijk ligt vlak bij de haven. Als scheepvaartbedrijven rond 1900 te weinig personeel hebben, halen ze Chinese matrozen en stokers naar Amsterdam. Na afloop van hun contracten krijgen ze nauwelijks hulp. Ze slapen in overvolle pensions rond de Zeedijk en moeten zichzelf zien te redden. In de jaren 1910 openen ze de eerste Chinese restaurants. Op het menu staan bijzondere gerechten als haaienvinnensoep en vismaag.
Helaas krijgen deze migranten te maken met racisme. In liedjes en kranten worden ze uitgelachen, en in de jaren dertig worden honderden Chinezen opgepakt en op schepen teruggestuurd.
Bij Bet
In 1927 opent Bet van Beeren café ’t Mandje op de Zeedijk. Haar bruine kroeg wordt een veilige plek voor iedereen die op andere plekken niet welkom is: zeelieden, sekswerkers, kunstenaars en vooral homo’s en lesbiennes. In een tijd waarin bijna niemand in het openbaar durft te zeggen dat hij van hetzelfde geslacht houdt, kan dat bij Bet wel. In haar café mag iedereen komen, zolang je respect hebt voor elkaar. Er mag niet gezoend worden, maar tijdens de Oranjebals op Koninginnedag danst iedereen met elkaar. ‘Dat mocht nérgens, maar bij Bet mócht het,’ zegt artiest Albert Mol later.
Muziek, vrijheid en verzet
De Zeedijk bruist van leven. Op een schilderij uit 1926 is te zien hoe mensen feestvieren tijdens Hartjesdag, een jaarlijks feest met verkleedpartijen en muziek. Tijdens de oorlogsjaren is het feest verboden, maar na 1945 bloeit de straat opnieuw op. Jazzcafés als Casablanca trekken zwarte muzikanten en muziekliefhebbers uit heel Amsterdam.
Vanaf de jaren vijftig groeit de Chinese gemeenschap verder, met winkels, restaurants en de bekende Toko Dun Yong. In 2000 wordt op de Zeedijk de Fo Guang Shan He Hua-tempel geopend. Het is de grootste boeddhistische tempel in Chinese stijl van Europa. Sinds 1997 wordt Hartjesdag weer gevierd, en ook café ’t Mandje is opnieuw open. De Zeedijk blijft een straat van vrijheid, muziek en ontmoeting.