Wonen in de overvolle stad
De stad barst eind negentiende eeuw uit haar voegen. In buurten als de Jordaan en de Oostelijke Eilanden wonen arme gezinnen dicht op elkaar. Er is weinig licht, geen schoon water en nauwelijks frisse lucht. Ondertussen groeit de bevolking van 467.000 inwoners in 1896 naar 718.000 inwoners nog geen dertig jaar later. De liberale wethouder Willem Treub vindt dat de gemeente meer moet doen voor de mensen. Hij zorgt ervoor dat gas, water en trams niet langer van bedrijven zijn, maar van de stad zelf. Zo wil hij het leven van de Amsterdammers verbeteren.
De Woningwet
Tot dan toe proberen gelovige, rijke burgers arme mensen te helpen door goedkope woningen te bouwen. Maar dat is niet genoeg. Steeds meer mensen vinden dat de overheid verantwoordelijkheid moet nemen. In 1901 wordt daarom de Woningwet ingevoerd. Gemeenten krijgen de taak om slechte huizen af te breken en nieuwe, gezonde woningen te laten bouwen.
De sociaaldemocratische wethouder Floor Wibaut voert de wet met veel energie uit. Tussen 1917 en 1922 worden duizenden nieuwe huizen gebouwd in onder meer Betondorp en de Transvaalbuurt. In Amsterdam-Noord ontstaan tuindorpen met meer licht, lucht en groen. Architect Jan Ernst van der Pek en zijn vrouw Louise Went ontwerpen de Van der Pekbuurt, een buurt waar arbeiders in rust en ruimte kunnen wonen.
Volgende woningcrisis
Amsterdam geldt lang als voorbeeld van sociale vooruitgang. Maar aan het eind van de twintigste eeuw verandert dat. Woningcorporaties bouwen minder sociale huurwoningen en richten zich meer op koopwoningen. Huren stijgen, en betaalbare huizen verdwijnen. Bewoners voeren actie: ze willen dat volkshuisvesting opnieuw een recht voor iedereen wordt.