Werk in uitvoering
Slopen hoort bij Amsterdam – net als bouwen. Neem de Dam. In de veertiende eeuw worden daar huizen gesloopt om plek te maken voor het eerste stadhuis. In de zeventiende eeuw moet dat stadhuis zelf én de buurt eromheen tegen de vlakte voor een nieuw gebouw: het huidige Paleis op de Dam. Rond 1900 verandert de Dam opnieuw, met warenhuizen en hotels. Zo krijgt het centrum steeds een ander gezicht.
Stad van de toekomst
Vanaf 1870 willen architecten de stad moderner maken, naar voorbeeld van Parijs en Brussel: brede straten, mooie zichtlijnen en monumentale gebouwen. Oude buurten met smalle straten en vervallen huizen passen daar niet bij. Grachten worden gedempt en oude panden gesloopt voor hotels en kantoren, zoals het American Hotel en De Bazel.
Buiten de grachtengordel groeit de stad ook. Er komen arbeiderswijken zoals de Pijp en de Staatsliedenbuurt. Later volgen ambitieuze uitbreidingsplannen: Plan-Zuid (1917) en het Algemeen Uitbreidingsplan (1934). Dat moet ruimte bieden aan een miljoen inwoners. De Bijlmer wordt het bekendste voorbeeld van die ‘stad van de toekomst’. Al die plannen vragen om ruimte. Als een rupsje-nooit-genoeg ‘eet’ Amsterdam steeds meer van zijn omgeving op. Van de annexatie van Nieuwendam, Ransdorp, Watergraafsmeer, Sloten en Buiksloot in 1921 tot de recente toevoeging van Weesp in 2022.
Opknappen
Al in de negentiende eeuw klinkt protest. Schrijvers en kunstenaars noemen de sloop van oude buurten ‘stedenschennis’. In de jaren zestig wordt het verzet groter. Jongeren, buurtbewoners en erfgoedliefhebbers willen geen kille nieuwbouw, maar betaalbare huizen in het centrum. Ze waarderen juist de rommeligheid en levendigheid van de oude stad. Hun acties zorgen voor herwaardering van historische buurten. Maar dat leidt ook tot gentrificatie: oude wijken worden populair en duur. Veel Amsterdammers kunnen er niet meer wonen. Dat roept de vraag op: van wie is de stad eigenlijk?