De weg naar zee
In de eerste helft van de negentiende eeuw verloedert Amsterdam. Het geld is op en het IJ slibt dicht. Grote schepen kunnen de haven nauwelijks nog bereiken. De route via de Zuiderzee is lang en het Noordhollandsch Kanaal is te bochtig. Rotterdam doet het beter, met een nieuwe verbinding naar zee. Amsterdam dreigt haar positie als handelsstad te verliezen.
Een kanaal dwars door de duinen lijkt de enige oplossing. Maar het plan is duur en riskant. De regering wil niet meebetalen, omdat ze net heeft geïnvesteerd in Rotterdam. Uiteindelijk nemen de gemeente en rijke Amsterdammers het heft in eigen handen. Alleen een Engelse aannemer durft de klus aan. Op 8 maart 1865 gaat de eerste spade de grond in. Duizenden arbeiders uit Nederland en Engeland graven het kanaal met de hand. Ze werken in weer en wind, met scheppen en kruiwagens. De lonen zijn laag en de huisvesting slecht. Sommige arbeiders slapen in kuilen bedekt met takken, anderen bouwen hutten van afvalhout. Door honger en armoede breken soms opstanden uit. Toch zetten de arbeiders door.
Stad op stoom
Na meer dan tien jaar is het kanaal klaar. Op 1 november 1876 opent koning Willem III het met een feestelijke boottocht van IJmuiden naar Amsterdam. De stad bloeit op. Aan de oostkant van de stad verrijzen pakhuizen, en in 1889 sluit het nieuwe Centraal Station de haven aan op het spoor. Amsterdam doet weer volop mee in de internationale scheepvaart, zeker na de opening van het Suezkanaal in 1869.
Later, in 1916, krijgt de stad ook een luchthaven: Schiphol. Zo groeit Amsterdam uit tot een moderne wereldstad. Maar vooruitgang roept ook vragen op. Wie profiteert er echt van? De ondernemers of de arbeiders die het kanaal graven? En hoeveel groei kan een stad verdragen?