Held voor het vaderland
Na de roerige jaren van oorlog en opstanden – de Franse tijd en de Belgische Revolutie – zoekt Nederland naar een nieuw gevoel van eenheid. Bestuurders grijpen terug op de zeventiende eeuw, de periode waarin de Republiek rijk en machtig is. Straten krijgen namen van zeehelden en kunstenaars, musea worden opgericht en standbeelden verrijzen. Zo moet het volk leren trots te zijn op zijn geschiedenis.
Andere steden doen hetzelfde: in Vlissingen komt een beeld van Michiel de Ruyter, in Hoorn van Jan Pieterszoon Coen. Naar sommige van die beelden kijken we nu anders, omdat de mannen die erop staan ook met misdaden te maken hebben.
Geld inzamelen
Amsterdam kiest voor de kunstenaar Rembrandt. Die keuze is ook een kwestie van rivaliteit. In 1843 onthult Antwerpen een beeld van schilder Rubens, en Amsterdam wil niet achterblijven. Kunstenaars en bewonderaars beginnen een inzameling om geld op te halen voor een beeld van Rembrandt. Niet iedereen is enthousiast; sommigen vinden het geldverspilling. Toch lukt het. Het bedrag is niet genoeg voor brons, dus wordt het beeld gegoten in ijzer. Beeldhouwer Louis Royer, de beroemdste van zijn tijd, ontwerpt het.
Rembrandtstad
In 1876 krijgt de Botermarkt een nieuwe naam: het Rembrandtplein. Al die heldenverering kan de meeste Amsterdammers weinig schelen. Rijke stadsbestuurders daarentegen vinden dat het beeld laat zien hoe belangrijk hun stad is – een echte kunststad, waar de grootste schilder vandaan komt. Ze gebruiken Rembrandt om Amsterdam internationaal op de kaart te zetten. Het is een vroege vorm van stadsmarketing: kom naar het Rembrandtplein, bekijk het standbeeld, bezoek musea, koop een souvenir! Wanneer in 1885 De Nachtwacht een ereplaats krijgt in het Rijksmuseum en in 1911 het Rembrandthuis opent, is Amsterdam definitief een stad vol kunst én toeristen.