Een tuin vol dieren
Het tentoonstellen van dieren uit verre landen is niet nieuw. Al in de zeventiende eeuw bezoeken Amsterdammers de menagerie van Blauw Jan, een soort kermisattractie waar apen, leeuwen en zelfs mensen uit verre landen worden getoond. In 1741 kun je op het Leidseplein een beroemde neushoorn bewonderen, Clara, die achttien jaar door Europa reist.
In 1838 krijgt Amsterdam zijn eigen dierentuin: Natura Artis Magistra. Latijn voor ‘de natuur is de leermeesteres van kunst en wetenschap’. Artis ligt in de Plantagebuurt en is in het begin alleen toegankelijk voor leden die contributie betalen. Voor gewone Amsterdammers is dat veel te duur. Alleen bij speciale gelegenheden mogen niet-leden met korting naar binnen.
De koloniale wereld
Artis is niet alleen een dierentuin, maar ook een museum. De wereld wordt er geordend en getoond volgens de ideeën van de negentiende eeuw. De beheerders willen laten zien hoe groot en machtig Nederland is in de koloniale wereld. In het etnografisch museum zijn voorwerpen en menselijke resten te zien uit de Nederlandse koloniën. Ook de dierenverblijven verwijzen naar die wereld: zo is het Minangkabauhuis, een stal voor Aziatische hoefdieren, in de stijl van huizen op Sumatra gemaakt. De gouverneur-generaal van Nederlands-Indië schenkt zelfs een olifant.
De natuur beschermen
In de negentiende eeuw zien mensen dieren vooral als bezit of vermaak. Bezoekers kunnen op olifanten rijden en de hokken zijn klein. Pas later groeit het besef dat sommige diersoorten dreigen uit te sterven. De laatste quagga, een zebra-achtige uit Zuid-Afrika, sterft in 1883 in Artis. Tegenwoordig probeert de dierentuin juist bedreigde dieren te beschermen, met fokprogramma’s en ruimere verblijven. Zo weerspiegelt Artis al bijna twee eeuwen hoe mensen omgaan met de natuur.