Groen paradijs
De eerste zomerverblijven verschijnen aan de randen van Amsterdam. In de zeventiende en achttiende eeuw is vooral de Watergraafsmeer populair. Er zijn tientallen buitenplaatsen waarvan alleen Frankendael nog bestaat. Ook langs de Amstel, in Kennemerland, bij de Utrechtse Heuvelrug en de Beemster bouwen rijke Amsterdammers hun landhuizen.
Rijke families uit andere Hollandse steden doen mee. Zo ontstaan buiten de stad plekken waar handelaren, bestuurders en politici elkaar ontmoeten. Er worden huwelijken geregeld en plannen gesmeed. De buitenhuizen laten zien wie het gemaakt heeft.
Rijkdom met een prijs
Rond de huizen komen strak aangelegde tuinen met lange lanen, vijvers en boomgaarden. Alles straalt orde, rust en rijkdom uit. De eigenaren zijn geïnspireerd door het romantische idee van een eenvoudig leven op het land. De elite neemt dat beeld graag over. Maar dan wel met een kop thee in de hand en uitzicht op hun landgoed – dat ze bovendien betalen met geld uit koloniale handel.
Veel buitenhuizen zijn gebouwd met winsten uit slavernij. Een voorbeeld is Duin en Kruidberg bij Santpoort, eigendom van Daniël Jean Bernard. Hij verdient aan plantages in Suriname. Later woont daar Jacob Theodoor Cremer, minister van Koloniën en oud-tabaksplanter uit Nederlands-Indië. Ze hebben hun buitenleven te danken aan de arbeid van tot slaaf gemaakte mensen.
Het einde van het buitenleven
Maar de families met hun landgoederen zijn niet onaantastbaar. In 1672, het rampjaar, worden buitenhuizen geplunderd. Ook het landschap blijkt kwetsbaar: dijken breken door en polders lopen onder. Wat ooit een paradijs lijkt, verdwijnt langzaam. Toch leven de namen voort – in straten als de Overamstelstraat en de Solitudolaan. Nog steeds proberen mensen in de zomer aan de hitte en drukte te ontsnappen. Maar anders dan in de zeventiende en achttiende eeuw is de natuur nu voor iedereen beter bereikbaar – in parken, volkstuintjes en stadsstranden.