Vriendjespolitiek
Tegen het einde van de zeventiende eeuw zit de glorietijd van Amsterdam erop. De werkloosheid stijgt en de kloof tussen arm en rijk wordt groter. Terwijl rijke regenten hun zomers doorbrengen in buitenhuizen, blijft de rest van de bevolking achter in de stinkende, overvolle stad. Extra belastingen zorgen voor nog meer onvrede.
In 1696 besluit de stadsregering dat uitvaarten voortaan alleen nog geregeld mogen worden door aansprekers – begrafenisondernemers – die de stad zelf aanstelt. Daarover moet bovendien extra belasting worden betaald. De particuliere aansprekers verliezen hun werk, en veel Amsterdammers denken dat de nieuwe banen vooral naar vrienden van de bestuurders gaan.
Het oproer barst los
De aansprekers komen in verzet en verspreiden het gerucht dat arme mensen voortaan zonder waardigheid begraven zullen worden, alsof ze vuilnis zijn. De woede groeit snel. Op 30 januari trekt een stoet van mannen, vrouwen en kinderen door de stad. Ze trommelen op vaten en zwaaien met bezems en doeken. Op de Dam hangen ze een briefje met de spottende tekst: Het stadhuis is te huur.
De volgende dag stormt de menigte naar het huis van burgemeester Jacob Boreel aan de Herengracht. Het lukt hem via de achterdeur te ontsnappen, maar zijn huis wordt geplunderd en de meubels verdwijnen in de gracht. De Amsterdammers proberen ook andere regentenhuizen binnen te vallen, maar de schutterij grijpt in met zwaarden.
Na enkele dagen wordt het oproer neergeslagen. In totaal worden 48 mensen opgepakt, van wie 22 worden veroordeeld. Twaalf eindigen aan de galg. De zwaarste straf is voor een arbeider uit Duitsland: zijn lichaam wordt opgehangen en zijn hoofd tentoongesteld bij het galgenveld in Noord. En de aanleiding van dit alles? Die verdwijnt alsnog van tafel: de begrafenisbelasting wordt niet ingevoerd.