Amsterdam en Suriname

Wat was de echte prijs van suiker?

Van scheepstimmerlui tot kruideniers en van wijnkopers tot slagers – bijna iedereen in de stad verdient in de zeventiende eeuw op de een of andere manier aan de kolonie Suriname. Het levert Amsterdam grote rijkdom op, maar die rijkdom is gebouwd op uitbuiting en geweld. Door deze geschiedenis zijn Amsterdam en Suriname nog altijd met elkaar verbonden.

Amsterdam in Suriname

In 1683 koopt Amsterdam een derde van de aandelen in de zogenoemde Geoctroyeerde Sociëteit van Suriname. Samen met de West-Indische Compagnie en de rijke familie Aerssen van Sommelsdijck wordt de stad verantwoordelijk voor het bestuur van Suriname en de aanleg van plantages. Vanuit het West-Indisch Huis aan het Singel nemen bestuurders besluiten over de handel en over het leven van honderdduizenden mensen. In totaal maken ze meer dan 200.000 mensen tot slaaf en ontvoeren hen naar Suriname.

Op de plantages werken zij onder dwang, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. De verwerking van suikerriet en koffiebonen is zwaar en gevaarlijk werk. Wie niet luistert of uitgeput raakt, wordt gestraft. De winst gaat naar Amsterdamse kooplieden, bestuurders en investeerders die de slavernij in stand houden.

Verzet in het woud

Slaafgemaakte mensen komen in opstand tegen de onderdrukking. Sommigen weigeren te werken of zingen protestliederen. Anderen weten te ontsnappen en bouwen in het regenwoud nieuwe gemeenschappen op. Deze ‘marrons’ vechten voor hun vrijheid en worden door het koloniale bestuur hard vervolgd. De oorlogen tegen hen kosten de Sociëteit enorme bedragen. De Amsterdammers lezen erover in de krant van die tijd.

Suriname in Amsterdam

De suiker uit Suriname wordt in Amsterdam bewerkt. De gebrande suiker verspreidt een sterke geur. Honderden Amsterdammers verdienen er hun brood mee, vooral in fabrieken in de Jordaan. Op scheepswerven worden slavenschepen gebouwd, zoals De Leusden. Dit schip vergaat in 1738 in Suriname nadat de bemanning honderden mensen opsluit en laat verdrinken. Met de winsten laten bestuurders grachtenpanden bouwen, zoals aan de Herengracht 502. Dat is nu de ambtswoning van de burgemeester.

Nog altijd wordt deze geschiedenis herdacht tijdens Keti Koti op 1 juli, de dag waarop de slavernij in 1863 wordt afgeschaft. ‘De ketenen zijn gebroken’ is de vertaling, maar het betekent nog geen einde van koloniale uitbuiting. Nog tien jaar lang moeten de vrijgemaakte slaafgemaakten doorwerken op de plantages. Daarna nemen contractarbeiders uit vooral China, India en Java het werk over. Ook zij worden slecht behandeld.

In 2021 biedt burgemeester Halsema tijdens Keti Koti excuses aan voor de actieve rol die de stad heeft gespeeld in de slavernij en mensenhandel – een erkenning van een verleden dat nog altijd voelbaar is.