Twee joodse gemeenschappen
Het verhaal van Joods Amsterdam begint in Spanje en Portugal. In 1492 verplicht het koningspaar Ferdinand en Isabella alle Joden en moslims om een keuze te maken: zich bekeren tot het christendom óf Spanje verlaten. Veel Joden vluchten naar Portugal, maar ook daar worden ze na een paar jaar gedwongen christen te worden. Een deel van hen bouwt onder druk een bestaan op als ‘nieuwe christenen’, maar wanneer ook in Portugal het wantrouwen groeit, vertrekken velen. Zo ook naar Amsterdam. Hier keren ze terug naar hun geloof. Een gemeenschap van Portugese Joden groeit: de Sefardiem.
Enkele tientallen jaren daarna arriveren Asjkenazische Joden uit Midden- en Oost-Europa. Oorlogen en vervolging drijven hen weg uit hun dorpen en steden. Amsterdam staat bekend als een veilige haven – en als plek waar al Joden wonen. Hun taal, het Jiddisch, klinkt Amsterdammers vreemd in de oren, maar levert de stad woorden op die nog steeds gebruikt worden, zoals aggenebbisj, habbekrats en pleite.
Synagogen
De Joden krijgen vrijheid van geloof, maar moeten zelf zorgen voor armenzorg, onderwijs en ziekenverpleging. En dat is veel werk, want ondertussen gaat de migratie door. Amsterdam wordt in de achttiende eeuw de grootste Joodse stad van Europa. Beide groepen krijgen een eigen synagoge en zijn er trots op. In 1671 opent de Hoogduitse Grote Sjoel, in 1675 de Portugese Synagoge.
Binnen de gemeenschappen heerst saamhorigheid, maar ook druk om zich aan te passen. Filosoof Baruch Spinoza wordt uit de Portugese gemeente verbannen vanwege zijn ideeën over geloof en rede. De Joodse gemeenschap groeit uit tot een belangrijk deel van Amsterdam. Tot de Tweede Wereldoorlog is ongeveer een tiende van de bevolking Joods. Je kunt de Portugese Synagoge en het Joods Museum in de voormalige Hoogduitse synagogen nog steeds bezoeken. Ze herinneren aan de lange Joodse geschiedenis in Mokum.