De firma Blaeu
Willem Blaeu begint zijn drukkerij in de Lastage, een buurt vlak bij de haven. In 1633 stelt de VOC hem aan als belangrijkste kaartenmaker. Hij mag ook de kennis van stuurlieden toetsen voordat ze naar zee vertrekken. Zijn zoon Joan Blaeu bouwt het bedrijf verder uit. Onder zijn leiding groeit de drukkerij aan de Bloemgracht uit tot een groot bedrijf met vijftien drukpersen en tachtig werknemers. Ze maken atlassen, wereldbollen en kaarten die in heel Europa bewondering krijgen.
Het pronkstuk is de Atlas Maior of Grooten Atlas. Die verschijnt vanaf 1662 in verschillende talen. De Franse editie telt 615 kaarten en tekeningen op meer dan 5000 pagina’s in twaalf dikke delen. De luxe-uitgave kost omgerekend zo’n 20.000 euro. Zelfs de eenvoudigste versie, zonder kleur, staat gelijk aan het jaarsalaris van een ambachtsman. Geen gewoon boek dus, maar een kostbaar geschenk en een teken van macht en rijkdom.
De wereld in kaart
Kaartenmakers zijn afhankelijk van informatie van anderen. De Blaeus krijgen veel gegevens via de VOC en WIC. Zo brengt Abel Tasman in 1644 de kust van Australië in kaart. Vier jaar later drukken Amsterdamse kaartenmakers dit al af. Maar de informatie is vaak onvolledig. Handelaren zijn vooral geïnteresseerd in kusten en producten. Over de binnenlanden weten ze weinig. Soms vullen kaartenmakers dat op met fantasie, zoals tekeningen van menseneters in Brazilië of Siberië. Daarmee suggereren ze dat gebieden ver weg van hun eigen ‘beschaving’ liggen.
Kaarten als spiegel
Kaarten zeggen zo ook altijd meer over hoe de makers ervan naar de wereld kijken dan hoe die wereld er werkelijk uitziet. De atlassen en globes van Blaeu laten de wereld zien vanuit de blik van handel en kolonialisme: een plek vol kansen en handelswaar, waar witte mensen uit Europa het meest waard zijn. Zulke voorstellingen beïnvloeden tot vandaag hoe mensen naar de wereld kijken.