Kijkplaats
In de zeventiende eeuw groeit Amsterdam uit tot het culturele hart van de Republiek. Kunstenaars, schrijvers en denkers trekken naar de stad om er hun geluk te beproeven. Tegen die achtergrond ontstaat het plan voor een vaste schouwburg: een plek waar toneelstukken uit binnen- en buitenland kunnen worden opgevoerd. Regenten, dichters en kunstenaars nemen het initiatief. Vondel bedenkt de naam ‘schouwburg’, letterlijk ‘kijkplaats’.
Het gebouw aan de Keizersgracht, ontworpen door Jacob van Campen, biedt plaats aan bijna duizend bezoekers. De inrichting is vernieuwend: er zijn draaibare decors en zelfs een lift voor toneeleffecten. Iedereen is welkom, zolang je een kaartje kunt betalen.
Toneel voor de stad
De bouw van de schouwburg wordt grotendeels betaald door het Burgerweeshuis en het Oudemannenhuis. De opbrengst van de voorstellingen gaat deels naar hun kas – hoe voller de zaal, hoe beter voor de armenzorg. De eerste voorstelling is Vondels Gysbrecht van Aemstel, een treurspel over de val en wederopstanding van de stad. Daarna volgen tragedies, komedies en kluchten. Ze brengen vermaak, maar ook levenslessen: hoogmoed, domheid en hebzucht worden bespot.
Vanaf 1655 treden er ook vrouwen op, wat de populariteit van het theater verder vergroot. Actrices als Adriana van den Bergh trekken volle zalen. Achter de schermen werken schrijvers, vertalers en acteurs aan nieuw repertoire, terwijl kunstenaars als Rembrandt inspiratie vinden in de schouwburg.
Het doek valt
Op 11 mei 1772 breekt er tijdens een voorstelling brand uit. Het gebouw brandt tot de grond toe af, zeker achttien mensen komen om. Alleen de toegangspoort blijft staan, als herinnering aan het culturele leven van toen.