De bouw van de grachtengordel
De aanleg is een enorme klus. Arbeiders graven grachten, slopen huizen en hogen de grond op. Rond de stad komt een moderne verdedigingswal met poorten en bolwerken. De uitbreiding biedt veel werk en trekt arbeiders van heinde en verre aan. Rijke regenten proberen er geld aan te verdienen door grond op te kopen en later met winst te verkopen.
De grachtengordel wordt in twee fasen aangelegd. Vanaf 1613 ontstaat het deel tussen de Haarlemmerdijk en de Leidsegracht; na 1656 volgt de uitbreiding tot aan de Amstel. Zo krijgt de stad haar bekende halve cirkelvorm met drie brede grachten: de Herengracht, de Keizersgracht en de Prinsengracht. Op de kades komen linden en iepen. Van bovenaf lijkt Amsterdam volgens een Duitse reiziger op een stad in een bos.
Achter de rijkdom
De Herengracht wordt het pronkstuk. Hier verrijzen de mooiste huizen met sierlijke gevels en stenen bruggen. In de Gouden Bocht wonen de rijkste Amsterdammers. Ze betalen hun huizen met winst uit de koloniale handel in cacao, suiker en koffie – producten van plantages waar tot slaaf gemaakten het zware werk doen, onder verschrikkelijke omstandigheden.
Winkeliers wonen in de dwarsstaten. Ambachtslieden trekken naar de Jordaan. De Kerkstraat fungeert als achterom van de grachtenpanden, met koetshuizen, werkplaatsen en wasserijen. Hier werken en wonen dienstboden, leveranciers en vaklieden.
Toch is de grachtengordel niet alleen mooi: de grachten stinken in de zomer naar afval en vuil water. Rijke bewoners trekken dan de stad uit. Voor de achterblijvers moeten de bomen langs het water de ergste geur verbergen. Ze staan er vanwege hun schoonheid, maar zeker ook voor het nut. Ondanks de stank is de grachtengordel geslaagd: het wordt het sieraad van de stad.