De geboorte van de VOC
Het Oost-Indisch Huis aan de Oude Hoogstraat is klaar in 1606. Hier vergaderen de bestuurders van de VOC. Ze plannen verre reizen en beslissen over oorlog en handel. In het gebouw liggen geheime zeekaarten en dikke boekhoudregisters. Ook melden zich hier matrozen en soldaten die werk zoeken.
De VOC groeit voort uit de Compagnie van Verre, een groep Amsterdamse kooplieden die in 1594 naar Azië wil varen om specerijen te kopen. De eerste reis, onder leiding van Cornelis de Houtman, loopt slecht af: de meeste bemanningsleden sterven. Toch leren de Nederlanders hoe ze Java kunnen bereiken. Nieuwe expedities volgen, en in 1602 worden alle handelsgroepen samengevoegd tot één organisatie: de VOC. Amsterdam speelt daarin de hoofdrol.
Koloniale handel
De VOC krijgt van de Staten-Generaal het alleenrecht op de handel in Azië. Ze mag verdragen sluiten, forten bouwen en zelfs oorlog voeren. Schepen vol specerijen varen naar Amsterdam. In de pakhuizen van de stad ruikt het naar kaneel, kruidnagel en nootmuskaat. De compagnie biedt werk aan duizenden zeelieden en arbeiders die de schepen laden, lossen en repareren.
Maar achter de handel gaat veel geweld schuil. In Azië kiest de VOC voor een gewelddadige aanpak om haar monopolie op de specerijen te behouden. Ze steunen de plannen van gouverneur Jan Pieterszoon Coen voor verovering en kolonisatie. Hij verovert Jayakarta en sticht het fort Batavia. Van daaruit overheerst de VOC delen van Java en de Molukken. De bevolking moet verplicht specerijen verbouwen voor de Europese markt. In 1621 laat Coen bijna de hele bevolking van de Banda-eilanden vermoorden. De overlevenden worden tot slaaf gemaakt en weggevoerd. Tot slaaf gemaakte mensen uit andere gebieden moeten op de Banda-eilanden gaan werken.
De bestuurders van de VOC staan zo aan het begin van een handelssysteem dat draait op geweld en uitbuiting van natuur, slavenhandel en andere vormen van gedwongen arbeid. De keuzes die toen zijn gemaakt, werken door tot vandaag.