Sociaal vangnet
Gasthuizen nemen die zorg op zich. Ze worden gesticht door religieuze broederschappen of gilden en betaald met giften van rijke Amsterdammers. Christelijke naastenliefde speelt daarbij een grote rol: elke gelovige hoort voor zijn medemens te zorgen.
Het oudste gasthuis, het Sint-Elisabethgasthuis, staat in het hart van de stad, op de plek van het huidige Paleis op de Dam. In 1492 voegt het zich samen met het Sint-Pietersgasthuis in de Nes. Daar krijgen armen, ouderen en zieken eten, een bed en verzorging. Het gasthuis vormt samen met andere instellingen een netwerk van zorg. Sommige huizen richten zich op ouderen of armen, andere op leprozen of mensen met besmettelijke ziekten.
Dorp op zich
Het Sint-Pietersgasthuis lijkt bijna een dorp. Er is een eigen brouwerij, een bakkerij, vee en een moestuin. Ambachtslieden en timmerlieden werken onder leiding van gasthuismeesters. Vrouwen houden het dagelijks leven draaiende. Zij koken en wassen en verzorgen de zieken. Ook kopen ze eten, brandstof en andere benodigheden in.
Rijke Amsterdammers steunen het gasthuis met geld. Dat doen ze uit geloof, maar ook om hun goede naam te versterken. Sommigen laten vastleggen dat op hun sterfdag een maaltijd moet worden uitgedeeld, zodat de zieken voor hen bidden.
Begin van de zorg
In de archieven van de gasthuizen is te zien hoe het dagelijks leven van toen eruitziet. Ze vertellen wat bewoners eten, hoeveel ze betalen en wie er werken. Van echte geneeskunde is nog nauwelijks sprake: zieken krijgen vooral eten, rust en wat ‘pijnstilling’. In 1553 koopt een ziekenmoeder bijvoorbeeld Spaanse wijn in om de pijn van een man te verzachten wiens been eraf moet.
De gasthuizen van Amsterdam vormen een kleine wereld op zichzelf, waar zorg, werk en gemeenschap samenkomen. Van echte dokters is nog nauwelijks sprake, maar zieken krijgen wel rust, eten en een beetje troost. Het laat zien dat Amsterdammers al vroeg proberen voor elkaar te zorgen.