Stadsmuur

Binnen of buiten de middeleeuwse ring?

‘De ring’ lijkt vandaag de dag een soort heilige grens – woon je erbinnen of erbuiten? In de middeleeuwen is die grens de stadsmuur. De muur beschermt tegen vijanden, maar bepaalt ook wie er wel of niet bij hoort. Het is veel meer dan een grens van steen dus.

Steentje bijdragen

Amsterdam krijgt pas laat een echte stadsmuur. Lang moeten bewoners het doen met houten palen en simpele wallen van aarde. In 1482 begint dan toch de bouw van een stevige muur, vooral uit angst voor plunderaars uit Utrecht en Gelderland. Iedereen moet meehelpen: armen doen het zware werk, rijken leveren bakstenen of betalen mee. Na acht jaar staat er een muur van vijf tot zes meter hoog, met poorten waar je de stad in en uit kunt, zoals de Sint-Anthonispoort (nu de Waag).

Poorters

Wie binnen de stadsmuur wil wonen, moet poorter zijn. Dat recht krijg je door geboorte, door te trouwen met een poorter of door het te kopen. Poorters hebben voordelen, zoals bescherming en invloed, maar ook plichten: belasting betalen en meehelpen in de schutterij of bij de brandwacht. Niet iedereen kan poorter worden of het zich veroorloven. Daarom wonen er ook mensen met minder rechten in de stad. Om samenleven mogelijk te maken stelt de stadsregering regels op. Die moeten ruzies voorkomen en verplichten buren rekening met elkaar te houden.

Buiten de muren

In de zestiende eeuw groeit Amsterdam snel. Binnen een paar decennia stijgt het aantal inwoners van 10.000 naar 30.000. Binnen de muren is het al snel vol. Daarom komen er huizen net buiten de stad, hoewel dat officieel verboden is. In de Lastage, de buurt waar schepen worden gebouwd, wonen veel mensen zonder bescherming van de muur. Zij voelen zich tweederangs Amsterdammers. De stadsmuur is dus niet alleen een verdedigingswerk. Het is ook een symbool van samenhorigheid en van uitsluiting. Wie binnen de muren woont hoort erbij, wie erbuiten woont staat letterlijk en figuurlijk buiten de stad.