Havenstad
De ligging bij de Amstel en het IJ maakt Amsterdam tot een ideale haven. Eeuwenlang groeit de stad dankzij het water. Denk aan de handel in graan en hout, in haring en later in koloniale producten via de VOC en WIC. Met de opening van het Noordzeekanaal in 1876 kunnen ook grote zeeschepen de stad bereiken. Daarna groeit de haven verder, met grote scheepswerven zoals de NDSM. Nog altijd is de Amsterdamse haven de vierde van Europa, en de grootste cacaohaven ter wereld!
Waterpret
Water geeft ook plezier. Al eeuwen varen Amsterdammers ter ontspanning over de grachten. Tegenwoordig roeien sporters op de Amstel, stappen toeristen op een rondvaartboot of zwemmen bewoners in de Sloterplas, de Gaasperplas of bij het Marineterrein.
Drinkwater
Dat er overal water is in Amsterdam betekent niet dat er altijd genoeg drinkwater is. Het water van de Zuiderzee is brak tot de bouw van de Afsluitdijk. Zoet water komt per schip uit rivieren als de Vecht en regenwater wordt opgevangen. In de negentiende eeuw breken cholera-epidemieën uit, een dodelijke ziekte die zich via vervuild water verspreidt. Alleen weten de mensen dat nog niet. Duizenden Amsterdammers sterven, vooral in arme buurten. Vanaf 1851 brengt de Duinwater-Maatschappij schoon duinwater via waterleidingen naar de stad. Al kunnen eerst alleen de rijken dat betalen. Later krijgt de hele stad toegang.
Wonen op water
De natte grond maakt bouwen lastig. Huizen staan op houten palen die diep de grond in gaan. Toch gaat het soms mis: de Watergraafsmeer loopt onder in 1651, Tuindorp Oostzaan in 1960. Bij de aanleg van de Noord/Zuidlijn blijkt opnieuw hoe kwetsbaar de ondergrond is. Met de stijgende zeespiegel door klimaatverandering blijft water ook nu een bedreiging voor Amsterdam.